Gravimix doseert alle componenten gravimetrisch (op gewicht). Daardoor hebben schommelingen in het stortgewicht, veranderingen in korrelgrootte of verschillen in vloeigedrag geen invloed op de doseernauwkeurigheid. Omdat het systeem zichzelf kalibreert, is bij een nieuw materiaal geen proefdosering nodig; bij een kleur- of materiaalwissel kan de unit zonder gereedschap worden gedemonteerd en gereinigd.
De totale doseernauwkeurigheid loopt op tot ± 0,1% — en dat geldt ook bij kleine hoeveelheden en veeleisende doseeromstandigheden. Met maximaal 10 stations wordt een capaciteit van 3.210 kg/ugehaald; maximaal vier stations (bij grote systemen maximaal acht) werken met doseerschuiven voor vrij stromende componenten, en voor kleine hoeveelheden additieven kunnen één of twee precisiedoseerschroeven worden toegevoegd.
De onderstaande stappen vormen de normale opstartvolgorde van het systeem. Een noodstop wordt uitgevoerd door de machine uit te schakelen met de hoofdschakelaar op de besturingskast.
Vanaf dat moment werkt de machine automatisch volgens het recept dat u hebt aangemaakt.
De besturing geeft de toestand van de machine weer met de volgende aanduidingen:
| Toestand | Omschrijving |
|---|---|
| Idle | Bij het inschakelen staat de besturing in deze toestand als zij geen recept vindt. De machine start pas nadat een recept is ingevoerd. |
| Standby | De machine staat volledig stil, maar kan op elk moment worden gestart. In deze toestand kunnen een recept, parameters en commando’s worden verstuurd. |
| Profibus | De machine wordt aangestuurd via een SCADA-pakket of een PLC. De handterminal dient alleen om mee te kijken; de lokale bediening komt terug zodra de Profibus-besturing wordt vrijgegeven. |
| Operating | Er wordt een mengsel geproduceerd volgens het gekozen recept. |
| Stop requested | Er is een stopcommando ontvangen; de machine maakt de lopende batchcyclus af en stopt daarna. Wordt intussen een startcommando gegeven, dan gaat zij terug naar productie. |
| Error | Er is een fout gedetecteerd en het systeem is gestopt. De fout staat op het scherm; is de oorzaak verholpen, dan wordt de fout gereset door haar te bevestigen. |
De Gravimix kan worden bediend met een industriële pc, met de handterminal of met een combinatie van beide. Om te voorkomen dat meerdere besturingen elkaar in de weg zitten, wordt de modus gekozen onder Menu → Interface → System. In de modus Local kan op de handterminal een nieuw recept worden aangemaakt (bij gecombineerd bedrijf wordt dit recept op de centrale besturing opgeslagen als receptnummer 0). In de modus Remote stuurt de centrale besturing de recepten; op de handterminal kunnen alleen de percentages worden gewijzigd.
| Modus | Omschrijving |
|---|---|
| Gravimetric | Elke component wordt afzonderlijk gedoseerd en gewogen. Hoogste nauwkeurigheid; langere cyclustijd, lagere capaciteit. |
| Volumetric | Alle componenten worden gelijktijdig gedoseerd volgens de doseertijden die het systeem heeft berekend, en vallen rechtstreeks in de mengkamer. Er wordt niet gewogen — lagere nauwkeurigheid, hoogste capaciteit. |
| Combination | Op één gravimetrische dosering volgt een vastgelegd aantal volumetrische doseringen (combinationRatio; bijv. 1:3). Deze modus combineert gravimetrische nauwkeurigheid met volumetrische snelheid. Is de mengkamer vol, dan doseert het systeem automatisch gravimetrisch in plaats van volumetrisch. |
| Productiemodus | Gedrag |
|---|---|
| Continue | Na het startcommando stopt de productie niet vanzelf; zij loopt door tot het materiaal op is of er een fout optreedt. |
| Alarm-Weight | Er wordt een doelgewicht ingevoerd. Bereikt of overschrijdt het geproduceerde gewicht dit doel, dan krijgt de operator een alarm, maar de productie loopt door. Het alarm wordt gewist door het geproduceerde gewicht op het scherm "Totals" te resetten. |
| Weight → Error | Bij het bereiken van het doelgewicht wordt een fout gegenereerd en stopt de productie. |
| Mengermodus | Gedrag |
|---|---|
| Normal | De menger staat tijdens de productie uit. Wanneer de weegbak materiaal lost, draait hij gedurende de tijd mixerOnTime. |
| Pulsing | De menger draait tijdens de productie in pulsen; de aan- en uittijd worden ingesteld met mixerPulseOnTime / mixerPulseOffTime. |
| Off | De menger staat altijd uit. |
| On | De menger draait tijdens de productie continu. |
Het recept is de kern van de besturing; hier wordt vastgelegd welk materiaal moet worden geproduceerd (Menu → Recipe). Op het scherm zijn maximaal 6 invoervelden voor hoppers tegelijk zichtbaar; afhankelijk van de machineconfiguratie kunnen tot 10 hoppers worden weergegeven. De doseervolgorde wijzigt u door een hopper te selecteren en hem met de pijltoetsen omhoog of omlaag te verplaatsen.
| Veld | Waarde | Betekenis |
|---|---|---|
| TYPE | REG, NAT, ADD | Soort materiaal in de hopper: maalgoed (Regrind), naturel (Natural), additief (Additive). |
| ALARM | IGNORE, WARN, FAILURE | Alarmtype voor de betreffende hopper. |
| GR/S | g/s | Uitstroomsnelheid van het materiaal in de hopper. |
| GR/PLS | g/puls | Uitstroomhoeveelheid bij pulsdosering. |
De componenten worden als volgt opgegeven: REG als percentage van het batchgewicht, NAT als verhouding tot de andere naturelcomponenten, ADD als percentage van het totaal van alle naturelcomponenten.
Bij deze methode zijn de waarden REG, NAT en ADD allemaal rechtstreekse percentages van het batchgewicht. Het totaal moet precies 100% zijn.
Elke mechanische klep heeft een reactietijd. De besturing berekent hoe lang de klep open blijft aan de hand van de Hardware Reaction Time en werkt met pulsen van 5 ms:
Na de eerste dosering wordt de doseersnelheid opnieuw berekend uit het gemeten gewicht. De correctie wordt toegepast als de afwijking binnen de grens dispenseRateVarBand ligt — zo wordt voorkomen dat de besturing een verkeerde waarde berekent wanneer de hopper leegloopt:
Blijft de dosering onder het doel, dan gedraagt de besturing zich volgens het alarmtype dat in het recept is gekozen: IGNORE doet geen nieuwe poging en corrigeert door de verhoudingen opnieuw te berekenen; WARNING doet extra pogingen tot het aantal dispenseTry en geeft, als de nauwkeurigheid niet wordt gehaald, alleen een waarschuwing en gaat door naar het volgende materiaal; ERROR geeft een fout en wacht telkens op een startcommando voor nieuwe doseerpogingen, tot de nauwkeurigheid is gehaald. Een overdosering kan niet worden gecorrigeerd; alleen de verhoudingen binnen het recept worden opnieuw berekend.
Om uit het loadcellsignaal het gewicht te bepalen, berekent de besturing een gewichtslijn door twee punten. Deze twee punten worden ingevoerd onder Menu → Calibrate → Calibrate, en beide stappen moeten worden uitgevoerd:
Invloeden van buitenaf, temperatuur, veroudering of overbelasting kunnen de gewichtslijn van de weegbak verschuiven. De operator merkt dit aan de afwijking van het nulgewicht terwijl de machine in standby staat. Omdat de gewichtslijn zelf klopt en alleen het beginpunt is verschoven, is geen volledige herkalibratie nodig — er wordt getarreerd met Menu → Calibration → Tarration en de weergave gaat terug naar ongeveer 0 gram.
Wordt de mechanische vertraging van de kleppen en schroeven niet bij de berekende tijd opgeteld, dan ontstaat een flinke doseerafwijking. De vergelijking hieronder laat dat zien (uitgaande van 6 pulsen = 30 ms):
| Dosering | Snelheid | Doel | Tijd | Werkelijk | Afwijking |
|---|---|---|---|---|---|
| Reactietijd niet meegerekend | |||||
| Schroef | 7 g/s | 14 g | 1,97 s | 13,79 g | 1,5% |
| Klep | 800 g/s | 600 g | 0,72 s | 576 g | 4% |
| Reactietijd meegerekend | |||||
| Schroef | 7 g/s | 14 g | 1,97 + 0,03 = 2 s | 14 g | 0% |
| Klep | 800 g/s | 600 g | 0,72 + 0,03 = 0,75 s | 600 g | 0% |
De waarden worden ingesteld onder Menu → Calibrate → Hardware reaction time. F (factor) is de minimale openingstijd bij het doseren; is de berekende tijd korter dan factor × pulstijd, dan gebruikt de machine deze waarde. Krijgt u het alarm "hopper is empty" terwijl de hopper vol is, verhoog dan de factor (maximaal 10). P geeft de reactietijd weer in pulsen van 0,005 seconde, T in seconden.
Bij kleine hoeveelheden schakelt de machine automatisch over op pulsdosering. Er wordt gepulst bij doseerhoeveelheden onder W[g]. Om dit in te stellen sluit u de weegbak, noteert u het actuele gewicht, kiest u de hopper die u wilt testen en geeft u met test pulse time één enkele puls; daarna meet u de gewichtstoename. On time (0,010 – 0,040 s) wordt verhoogd of verlaagd om de hoeveelheid materiaal die uit de hopper valt bij te stellen; Off time (0,050 – 0,300 s) geeft het materiaal de tijd om van de schuif te vallen en mag niet te kort zijn. Pulsdosering gaat ten koste van de maximale capaciteit.
De parameters vallen in twee groepen uiteen: algemene parameters kan de operator wijzigen, beveiligde parameters alleen met een wachtwoord.
| Parameter | Omschrijving | Standaard |
|---|---|---|
| ProductionMode | Productiemodus: CONTINUE, WEIGHT of ALARM_WEIGHT. Bij WEIGHT/ALARM_WEIGHT moet ook productionWeight worden ingevoerd. | CONTINUE |
| ProductionWeight | De productie stopt wanneer dit gewicht is bereikt (de modus moet WEIGHT of ALARM_WEIGHT zijn). | 100 kg |
| DispenseMode | Doseermodus: GRAVIMETRIC, VOLUMETRIC of COMBINATION. Bij COMBINATION moet combinationRatio worden ingevoerd. | GRAVIMETRIC |
| CombinationRatio | Verhouding tussen volumetrisch en gravimetrisch doseren (één gravimetrische + x volumetrische doseringen). | 3 |
| WeighbinDumpTime | Tijd dat de weegbak open blijft terwijl het materiaal in de mengkamer wordt gelost. | 5 s |
| LevelControlWaitTime | Tijd tussen het signaal "mengkamer vol" en het openen van de losklep. | 8 s |
| LevelControlDumpTime | Tijd dat de losklep open blijft nadat de sensor is vrijgekomen. | 1 s |
| MixMode | Mengermodus: ON, OFF, NORMAL of PULSE. | PULSE |
| MixerOnTime | In de normale modus: de looptijd van de menger nadat het materiaal is gelost. | 10 s |
| MixerPulseOnTime | Aantijd van de menger in de pulsmodus. | 2 s |
| MixerPulseOffTime | Uittijd van de menger in de pulsmodus. | 15 s |
| Parameter | Omschrijving | Standaard |
|---|---|---|
| DispenseTries | Maximaal aantal pogingen om de gewenste nauwkeurigheid voor een component te halen. | 4 |
| DispenseAccuracy | Minimale nauwkeurigheid voor elke component. | 15 % |
| DispenseCorrectionBand | Maximaal toegestane afwijking bij het herberekenen van de doseersnelheid. | 20 % |
| Batch Weight | Totaalgewicht van alle gedoseerde componenten. | — |
| Loadcell Range | Maximaal gewicht in de weegbak; bij overschrijding geeft de besturing een fout. | Afhankelijk van type |
| Maximum tara variation | Toegestane absolute afwijking van het nulpunt van de weegbak. | 40 g |
| Alarm on overdosing | Er wordt een alarm gegenereerd wanneer een component wordt overgedoseerd. | No |
| Weight in | Gewichtseenheid: kilogram/gram of pound/ounce. | kg – g |
| Dispense Guard | Bewaakt tijdens het doseren het geloste gewicht van de component. | Recipe change |
| Maximum Hoppers | Aantal hoppers op de machine. | 1 – 10 |
| Weight settle time | Wachttijd tussen doseren en wegen, zodat de weegbak tot rust komt. | 1,0 s |
| Weight variation band | Band waarbinnen de opeenvolgende wegingen ten opzichte van het gemiddelde gewicht moeten blijven. | 2 g |
| Make recipe adaptive | Stemt in de percentagemodus de componenten af op de eerst gedoseerde component. | Yes |
| Infinite dosage retry | Blijft de dosering onbeperkt herhalen zolang de hopper leeg is. | No |
| Autostart production | Productie starten met een aparte knop (optie). | No |
| Weighbin clatter cycles | De klep van de weegbak openen en sluiten voordat het doseren begint. | No |
| CSV Batch report | Start het opslaan van het rapport met verbruiksgegevens. | No |
| CSV Clear after copy | Maakt na het kopiëren een nieuw CSV-bestand aan. | No |
Het maximale gewicht in de weegbak hangt af van het type Gravimix:
| Unit | Max. gewicht | Model |
|---|---|---|
| 0,5 kg-unit | 0,8 kg | FGB-MINI en FGB MECS |
| 1 kg-unit | 1,2 kg | FGB-1 |
| 1,5 kg-unit | 2,0 kg | FGB-1.5 en FGB FLECS |
| 2 kg-unit | 3,0 kg | FGB-2 |
| 5 kg-unit | 6,0 kg | FGB-5 |
| 10 kg-unit | 12,0 kg | FGB-10 |
| 25 kg-unit | 30,0 kg | FGB-25 |
Om productiegegevens automatisch vast te leggen, moet er een geformatteerde SD-kaart in het SD-slot op de besturingsprint zitten; alle verbruiksgegevens en alarmen worden daar doorlopend op weggeschreven. Zet bij de beveiligde parameters CSV batchreport → Yes. Wordt er een USB-stick in de USB-poort op het bedieningspaneel gestoken, dan worden de gegevens van de SD-kaart naar de stick gekopieerd; tijdens het kopiëren knippert de alarmlamp en zij dooft zodra het kopiëren klaar is. Staat de parameter CSV reset after copy op no, dan blijft het bestand behouden; staat hij op yes, dan wordt een nieuw bestand aangemaakt. De bestandsnaam heeft de opmaak BRxx.ddmmyy; xx is het nodenummer dat met de DIP-schakelaars op de printplaat van de doseerunit is ingesteld.
Wordt een fout gedetecteerd, dan stuurt de besturing de melding naar de gebruikersinterface; meldingen worden met datum en tijd vastgelegd in de alarmhistorie.
| Alarmmelding | Betekenis | Oplossing |
|---|---|---|
| Press recover | Het alarm is al gemeld en hoeft alleen nog te worden bevestigd. | Druk op de knop om te bevestigen. |
| No control voltage | Er is geen stuurspanning. | Schakel de stuurspanning in en bevestig. |
| Panels are open | Het frontpaneel is verwijderd of de mengkamer is niet gemonteerd. | Plaats de beschermkap en/of de mengkamer terug en bevestig. |
| Production weight reached | Het ingestelde productiegewicht is bereikt. | Reset het geproduceerde gewicht op het scherm "Totals". |
| Parameters are corrupted | Het controlegetal van de opgeslagen parameters klopt niet; alle parameters zijn teruggezet naar de standaardwaarden. | Alleen een informatieve melding — bevestig en loop daarna de parameters na. |
| Production data corrupted | Het controlegetal van de opgeslagen productiegegevens klopt niet; de gegevens zijn gereset. | Alleen een informatieve melding — bevestig. |
| Loadcell is not calibrated | De opgeslagen loadcellparameters kloppen niet. | Kalibreer de weegbak. |
| Loadcell overload | Het gewicht in de weegbak is hoger dan de ingestelde waarde "load cell overload". | Los het teveel aan materiaal en bevestig. |
| Loadcell not stable | Het gewicht in de weegbak komt binnen de opgegeven tijd niet tot rust binnen de stabiele band. | Bevestig. Komt de melding vaak terug: de lostijd van de weegbak kan te kort zijn, de mengkamer kan te vol zijn of er blijft materiaal aan de klep van de weegbak kleven. Plaats de sensor in de mengkamer lager of verlaag het batchgewicht. |
| Weighbin out of tare-band | Het nulgewicht van de weegbak wijkt meer af dan de waarde "maximum tare variation". | Tarreer de weegbak of kalibreer hem opnieuw. |
| Connection with FGB broken | Er is geen communicatie tussen de besturing en de machine. | Controleer de kabel en de aansluitingen. |
| Silo full error | De voorraadsilo is gedurende het ingestelde aantal batches vol gebleven (bovenste niveausensor actief). | Het verbruik van maalgoed is te laag — verhoog het aandeel of voer minder aan. |
| Silo empty error | De voorraadsilo is gedurende het ingestelde aantal batches leeg gebleven (onderste niveausensor niet actief). | Het verbruik van maalgoed is te hoog — verlaag het aandeel of voer meer aan. |
| Low level in hopper | De optionele sensor heeft gedetecteerd dat de hopper bijna leeg is. | Vul de hopper. |
| Hopper is empty | De besturing heeft uit een zeer lage dosering afgeleid dat de hopper leeg is. | Vul de hopper en start de machine. Verschijnt dit alarm terwijl de hopper vol is: de doseernauwkeurigheid kan te krap zijn ingesteld, de doseersnelheid te hoog of het aantal pogingen te laag. |
| Hopper is overdosing | Na een overdosering is een alarm gegenereerd. | Afhankelijk van de component — loop de instellingen voor doseersnelheid en nauwkeurigheid na. |
| Emergency stop executed | De stopknop is tweemaal ingedrukt en er is een noodstop uitgevoerd. | Bevestig. |
De unit is in de fabriek afgesteld en getest; stel alleen iets bij als een van de onderstaande onderdelen niet goed werkt.
Ongeveer 6 bar voor het beste resultaat. De doseerunit werkt ook bij lagere druk — minimaal 4 bar.
De sensor hoort ongeveer 10 mm in de mengkamer te steken. Steekt hij te ver naar binnen, dan detecteert hij de mengbladen; steekt hij te weinig naar binnen, dan detecteert hij de montageplaat in plaats van het materiaal (bij de FGB-10 en FGB-25 is dit anders). De gevoeligheid wordt ingesteld met het schroefje in de sensor:
De klep hoort geruisloos te sluiten. Op het meest linkse pneumatische ventiel zit een luchtstroomregelventiel; dat wordt afgesteld met de schroef aan de bovenkant (bij de FGB-MINI zit het regelventiel op de cilinder van de weegbak).
Hoe vaak moet worden gereinigd, hangt af van het aantal grondstofwissels. De hoppers worden geleegd via het menu Menu → Cleaning; één enkele hopper of de overige onderdelen kunnen afzonderlijk worden bediend. De machine kan alleen in standby en met ingeschakelde stuurspanning worden gereinigd; bovendien moet de mengkamer gemonteerd en het frontpaneel gesloten zijn (in plaats van het frontpaneel kan ook een afvoertrechter worden gebruikt). Voor het reinigen worden het frontpaneel, de weegbak, de mengkamer en de menger verwijderd. De magneetventielen en de perslucht moeten uitgeschakeld zijn; reinig met een stofzuiger en draag een veiligheidsbril.
Voordat de doseerunit wordt verplaatst, moet de weegbak worden verwijderd — anders raken de loadcellen beschadigd. Daarna kan de unit op een stevige pallet worden vervoerd.
Serie FGB 5 / 10 / 25: voeding 240 V 50/60 Hz (P+N+PE) en 400 V 50/60 Hz (3P+N+PE); schone, droge perslucht met een constante druk van minimaal 6 bar, aansluiting ¼" BSP.
FGB MECS en FGB FLECS: voeding 240 V 50/60 Hz (P+N+PE); dezelfde eisen aan de perslucht.
De doseerunit kan worden gemonteerd op een onderstel met geïntegreerde vacuümafzuigkast, op een platform of frame boven de verwerkingsmachine, of rechtstreeks op de verwerkingsmachine. De bevestiging gebeurt via de montagegaten in de bodemplaat.
Is de installatie klaar, dan worden de menger, de mengkamer en de weegbak gemonteerd en wordt het frontpaneel gesloten. De perslucht wordt aangesloten op de drukregelaar (max. 12 bar). De voedingsspanning moet "schoon" zijn wat schommelingen en storingen betreft. De communicatiekabel (met name RS-422) mag niet in dezelfde kabelgoot liggen als kabels die hoge stromen voeren — anders treedt inductiestoring op. Vanwege de nauwkeurigheid van de loadcellen moet de doseerunit zo trillingsvrij en stabiel mogelijk worden gemonteerd. De aardverbinding (PE) van de hopper loaders moet worden aangesloten; bij het transporteren van grondstof ontstaat statische elektriciteit.
Gravimix-doseerunits zijn beveiligd met twee veiligheidsschakelaars, op het frontpaneel en op de mengkamer; wordt een van beide verwijderd, dan wordt de spanning onderbroken en stopt de doseerunit. Op de motor(en), de besturingskast, de gebruikersinterface en het frontpaneel zitten waarschuwingsstickers: gevaar door hoge spanning, pas op voor draaiende delen en draairichting van de motor.