Materiaalvoorbereiding
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij het vocht in de lucht begint te condenseren, en het is een maat voor hoe droog de lucht is: hoe lager de waarde, hoe droger de lucht. Een dauwpunt van −40 °C in de droogtelucht betekent dat die lucht pas water afgeeft als ze tot −40 °C wordt afgekoeld. Het mag niet worden verward met de procestemperatuur; lucht kan tegelijk 80 °C heet en droog zijn met een dauwpunt van −40 °C.
Het dauwpunt meet de lucht, niet het restvocht van het granulaat. Ook als de lucht van de droger op −40 °C staat, kan het granulaat nog vochtig zijn als de tijd onvoldoende is of de luchtstroom in de trechter kortsluit. Restvocht is alleen aan het materiaal zelf te meten, met een vochtbalans, Karl Fischer of de calciumhydridemethode.
Het meetpunt is de inlaat van de trechter. Naarmate het droogmiddel veroudert, loopt het dauwpunt langzaam op; wie het verloop volgt, kan een bedwissel plannen voordat er een storing optreedt.
Omdat het een maat voor droogte is, uitgedrukt in een temperatuureenheid. Als er zelfs bij afkoeling tot −40 °C geen condensatie optreedt, bevat de lucht heel weinig water. De procestemperatuur van de droger (50–170 °C) is een heel andere waarde.