Matrijs en tempereren
Matrijskrimp is het percentage waarmee de maat van het product, 16 uur nadat het de matrijs verlaten heeft, kleiner is dan de maat van de vormholte (DIN 16901). Krimp die na dit tijdstip doorgaat, is nakrimp. Een lage matrijstemperatuur verlaagt de matrijskrimp maar verhoogt de nakrimp; bij een hoge matrijstemperatuur is de totale krimp groter maar stabieler. Een meting vóór 16 uur is een meting aan een product dat nog krimpt.
Amorfe materialen (PS, PC, ABS) krimpen ongeveer 0,3–0,8% en nauwelijks richtingsafhankelijk; semikristallijne materialen (PP, PA, POM) krimpen 1–2,5%, afhankelijk van de vloeirichting. Glasvezelversterking verlaagt de krimp sterk in de vezelrichting en maar weinig haaks daarop; dat verschil is de belangrijkste bron van kromtrekken.
Nadruk en nadruktijd verlagen de krimp in één richting; de matrijstemperatuur verhoogt haar; smelttemperatuur en inspuitsnelheid werken in beide richtingen, en de verhouding vloeiweg ÷ wanddikte beslist welke. Wat de maat vasthoudt, is niet de gemiddelde waarde maar de stabiliteit van cyclus tot cyclus.
Door nakrimp. In een semikristallijn materiaal gaat de kristallisatie door nadat het product de matrijs heeft verlaten; bij een lage matrijstemperatuur strekt dat zich over dagen uit. Beslissingen over matrijscorrecties worden niet genomen op metingen van vóór 16 uur.